Vanochtend heb ik om 10 uur 's Ochtends mijn kamer gestofzuigd.
Dat klinkt misschien niet als iets waar je een blog over schrijft: voor mij is dat het wel.
Eerlijk? Ik weet het niet zeker, maar ik geloof dat ik nooit eerder spontaan, uit mezelf, huishoudelijke taken als stofzuigen heb gedaan in de ochtend. En ik merk in toenemende mate: ik ben steeds makkelijker geactiveerd. Ik ben niet langer gepijnigd door psychisch lijden op een dagelijkse basis. En dat is nogal een realisatie wanneer je sinds je 10e/11e levensjaar in de knoop hebt gezeten.
Ik neem mijn medicatie voor het eerst dagelijks trouw. Ik verzorg mezelf consequent, ik verzorg mijn omgeving consequent. Ik kan me steeds beter dingen herinneren. Ik raak niet meer cognitief overbelast door complexe tekst of gesprekken en ik raak bijna niet meer steeds overstuur.
Het verschil tussen lijden door psychiatrische problematiek (in mijn geval issues met het 'zelf', hechting en identiteit) en reguliere moeilijkheden en lijden is lastig uit te leggen. Soms wanneer ik het probeer uit te leggen aan mensen beland ik onbedoeld in een soort van onderhuidse competitie.
Alsof ik zeg dat iemand die nooit psychisch ziek is geweest geen echte pijn heeft gekend.
Dat bedoel ik natuurlijk niet.
Dat is niet aan mij.
Ik probeer alleen te beschrijven dat er een verschil kan zijn tussen pijn hebben en niet meer goed weten vanuit wáár je die pijn eigenlijk ervaart.
Iemand die niet op die manier psychisch ontregeld is kan verdriet hebben en toch meestal nog ergens voelen: dit ben ik, en dit overkomt mij. Dat onderscheid was voor mij lange tijd helemaal niet zo vanzelfsprekend.
Je kunt van buitenaf naar iemand kijken die praat, denkt, reageert, grappen maakt, boos wordt, plannen maakt en dingen doet. Je ziet een mens.
Maar van binnen kan het voelen alsof er nergens een stevig middelpunt is waar al die dingen samenkomen.
Alsof je wel allemaal losse onderdelen hebt, maar niet het punt waaromheen ze zich organiseren.
Ik kon denken, maar gedachten werden niet vanzelf onderdeel van een groter begrip. Ik kon iets meemaken, maar het werd niet noodzakelijk een herinnering. Ik kon iets willen, maar tussen het willen en het daadwerkelijk doen leek soms een enorme afstand te zitten. Ik kon iets begrijpen, maar het begrijpen bleef ergens los rondzweven. Ik kon ergens van leren, maar het geleerde leek niet altijd beschikbaar wanneer ik het nodig had.
En daardoor kon alles aan de buitenkant heel vreemd lijken:
'Waarom doe je het dan niet?'
'Waarom onthoud je dat niet?'
'Waarom lukt dit gisteren wel en vandaag niet?'
'Waarom weet je wat je moet doen en doe je het toch niet?'
'Waarom wil je zo graag veranderen en verandert er niets?'
Ik wilde wel. Dat is misschien een van de pijnlijkste dingen om achteraf te beseffen. Ik wilde zó graag.
Maar willen is niet hetzelfde als kunnen.
Niet wanneer er ergens tussen denken, voelen, begrijpen en handelen een blokkade zit. Je kunt dan ontzettend veel energie besteden aan jezelf proberen te vertellen wat je moet doen. Je kunt jezelf toespreken. Plannen maken. Voornemens hebben. Beloftes doen. Nog harder proberen. En vervolgens opnieuw falen in iets wat voor een ander misschien nauwelijks als prestatie wordt gezien.
Niet omdat je niet geeft om je leven.
Juist omdat je er zo ontzettend veel om geeft.
Er was een tijd waarin mijn leven en mijn herinneringen voor mijn gevoel nauwelijks een doorlopend verhaal vormden.
Het was een soort blur.
Losse gebeurtenissen. Losse versies van mezelf. Losse gevoelens. Losse gedachten. En ondertussen moest ik daar een identiteit van maken.
Wie ben ik?
Wat vind ik?
Wat wil ik?
Wat heb ik meegemaakt?
Wat heb ik geleerd?
Wat betekent dit voor mij?
Hoe verhoud ik me tot iemand anders?
Het zijn vragen die ongelooflijk eenvoudig klinken wanneer je ergens stevig in jezelf staat. Maar wanneer dat gevoel van zelf niet goed functioneert, kunnen ze bijna metafysisch worden. Je hebt dan van alles buiten jezelf nodig om jezelf aan jezelf uit te leggen.
Andere mensen.
Hun reacties.
Hun aanwezigheid.
Hun bevestiging.
Hun oordeel.
Hun nabijheid.
Soms zelfs hun boosheid.
Want stilte vertelt je niets.
Leegte vertelt je niets.
Alleen zijn vertelt je niets.
En als er vanbinnen onvoldoende houvast is om uit jezelf te voelen wie je bent, kan die stilte oorverdovend worden. Niet omdat je per definitie niet alleen kúnt zijn. Maar omdat je in die stilte geconfronteerd wordt met het ontbreken van iets waarvan je misschien niet eens wist dat andere mensen het voortdurend bij zich dragen. Een vanzelfsprekend gevoel van: ik ben hier.
Dit ben ik, dit is mijn leven, dit heb ik meegemaakt, dit vind ik, dit wil ik, dit ga ik doen.
Dat klinkt misschien bijna banaal. Voor mij is het dat niet. Ik ben bijna dertig. En pas nu begin ik werkelijk te begrijpen hoe bijzonder het is wanneer intentie en gedrag met elkaar overeenkomen.
Wanneer ik denk: ik ga mijn kamer stofzuigen, en vervolgens stofzuig ik mijn kamer.
Niet na drie uur onderhandelen met mezelf, niet nadat iemand anders mij heeft aangesproken, niet omdat de omstandigheden mij ertoe dwingen, niet omdat ik mezelf eerst door een eindeloze hoeveelheid schuld, schaamte en frustratie heen moet slepen.
Ik denk het.
Ik doe het.
Klaar.
Vanmorgen stond ik om tien uur 's ochtends mijn kamer te stofzuigen. En ik dacht ineens: Jezus. Dit lukt.
Dat klinkt misschien idioot.
Maar voor iemand die vijftien jaar lang verdwaald is geweest in zichzelf, kan een stofzuiger een wereldwonder zijn.
Want ik ben niet alleen een kamer aan het schoonmaken.
Er gebeurt iets veel fundamentelers:
Er is een bedoeling.
Er is een handeling.
En daartussen zit ineens geen onoverbrugbare kloof meer.
Ik wil iets, ik begrijp wat ik wil, ik kom in beweging, k doe het.. En daarna bestaat het: mijn kamer is schoon. Dat is misschien wel een van de meest concrete bewijzen die ik ooit heb gehad dat ik aan het veranderen ben. Niet omdat ik nu ineens een perfect functionerend mens ben. Maar omdat ik voor het eerst steeds vaker merk dat dingen blijven hangen.
Dat ik mezelf kan herinneren, dat ik iets kan lezen en het niet alleen begrijp, maar ook kan meenemen, dat een gesprek niet meteen een cognitieve overstroming wordt, dat ik mezelf kan verzorgen, dat ik mijn omgeving kan verzorgen, dat ik kan reageren in contact zonder mezelf volledig kwijt te raken, dat ik kan willen en handelen, dat ik kan ervaren en onthouden, dat ik iets kan leren en het later nog steeds van mij kan zijn.
En misschien is dat wat mensen soms missen wanneer ze naar herstel kijken..
Ze zien iemand die weer functioneert.
Iemand die opstaat, doucht, eet, opruimt, werkt, studeert, een gesprek voert.
Ze zien het resultaat.
Ze zien niet noodzakelijk wat ervoor nodig was om die ogenschijnlijk gewone handelingen überhaupt weer met een ik te verbinden.
Voor veel mensen is een ochtend stofzuigen gewoon een ochtend stofzuigen. Voor mij is het bewijs dat ik niet langer alleen maar hoef te proberen mezelf bij elkaar te houden: ik begin mezelf te bewonen. En misschien is dat wel het wonder van herstel waar ik het liefst woorden voor wil vinden, niet dat ik eindelijk normaal functioneer.
Maar dat ik eindelijk begin te ervaren hoe het is om ergens vandaan te kunnen leven.
Vanuit mezelf.
Vijftien jaar lang wist ik niet hoe bijzonder dat was.
Nu weet ik het.
En daarom stond ik vanochtend om tien uur met een stofzuiger in mijn kamer.
En een grijns op mijn gezicht.
En ik vond het prachtig.
Reactie plaatsen
Reacties
Wat mooi geschreven! Onbegrijpelijk hoeveel verhuizingen er zijn geweest 🤷🏻♀️ en mega knap hoe je zelf je ontwikkeling vorm geeft 👍🫶